Luister naar het woord.
Wat hoor je?
stappen
instappen
uitstappen
overstappen
uitgestapt
gestapt
overgestapt
ingestapt
Luister naar de zin.
Lees de vraag.
Kies het goede antwoord.
Ben ik klaar met uitstappen?
ja
nee
Is hij klaar met overstappen?
Waar ben je ge-uit-stapt?
Waar ben je uit-ge-stapt?
Hij is net op tijd in-ge-stapt.
Hij is net op tijd ge-in-stapt.
Hij is op Schiphol over-ge-stapt.
Hij is op Schiphol ge-over-stapt.
Ik ben bij de Lidl ge-in-stapt.
Ik ben bij de Lidl in-ge-stapt.
We zijn een halte eerder ...
uitgestapt.
uitstappen.
Op welk station ben je ...
overstappen?
overgestapt?
Mijn vader is vlakbij mijn huis ...
Hoe laat zijn jullie het vliegtuig ...
ingestapt?
instappen?
... je op tijd uitgestapt?
Heb
Ben
Ze ... op het station ingestapt.
hebben
zijn
We ... in Den Haag overgestapt.
Hij ... net op tijd ingestapt.
heeft
is
Zet de woorden op de goede plaats.
Je bent te vroeg uitgestapt.
Hij is op Schiphol overgestapt.
Op welk station zijn jullie ingestapt?
Ik ben bij het park ingestapt.
Lees de zin.
Ik ben de trein ...
Op welk station zijn jullie ...
Hij is in Venlo ...
instappen.
ingestapt.
Hij is bij de Jumbo ...
Hij ... bij de verkeerde halte uitgestapt.
ben
Je ... te vroeg uitgestapt.
bent
We ... in Amsterdam ingestapt.
Ik ... op Schiphol overgestapt.
Sleep het woord naar de juiste plek in de zin.
Je bent bij de verkeerde halte uitgestapt.
Ik ben niet bij het station uitgestapt.
We zijn in Den Haag overgestapt.
Lees de zinnen.
Welke zin is goed?
We zijn gisteren in Amsterdam uitgestapt.
We stappen gisteren in Amsterdam uit.
Ik stap straks op Schiphol over.
Ik ben straks op Schiphol overgestapt.
Hij stapt een uur geleden uit.
Hij is een uur geleden uitgestapt.
Ben je gisteren op tijd ingestapt?
Stap je gisteren op tijd in?
Lees de woorden.
Hij is hier overgestapt.
Julia en David zijn vijf minuten geleden ingestapt.
Jullie zijn op tijd ingestapt.
Ik ben een uur geleden ingestapt.
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.