Luister naar het woord.
Wat hoor je?
maken
klaarmaken
pakken
inpakken
ruimen
opruimen
aanvragen
vragen
terugsturen
sturen
vullen
invullen
afzeggen
zeggen
opschrijven
schrijven
afvallen
vallen
opgeruimd
geruimd
gemaakt
klaargemaakt
gelost
opgelost
gehaald
opgehaald
gezegd
afgezegd
gevraagd
aangevraagd
gestuurd
teruggestuurd
schoongemaakt
gerekend
afgerekend
gevuld
ingevuld
Luister naar de zin.
Lees de vraag.
Kies het goede antwoord.
Ben ik klaar met opruimen?
ja
nee
Is het eten klaar?
Is de docent klaar met uitleggen?
Is Anna klaar met afrekenen?
Is ze klaar met afrekenen?
Zijn we klaar met schoonmaken?
Ik heb de kamer op-ge-ruimd.
Ik heb de kamer ge-op-ruimd.
Ik heb mijn vrienden ge-uit-nodigd.
Ik heb mijn vrienden uit-ge-nodigd.
We hebben Anna ge-op-haald.
We hebben Anna op-ge-haald.
Heb je het formulier in-ge-vuld?
Heb je het formulier ge-in-vuld?
Ali heeft een nieuw paspoort aan-ge-vraagd.
Ali heeft een nieuw paspoort ge-aan-vraagd.
Waarom heb je onze afspraak ge-af-zegd?
Waarom heb je onze afspraak af-ge-zegd?
Layla heeft gisteren bij mij thuis op-ge-past.
Layla heeft gisteren bij mij thuis ge-op-past.
Hij heeft al zijn vrienden uit-ge-nodigd.
Hij heeft al zijn vrienden ge-uit-nodigd.
Je hebt het pakje nog niet ge-open-maakt!
Je hebt het pakje nog niet open-ge-maakt!
Ze heeft haar zoontje van school ge-op-haald.
Ze heeft haar zoontje van school op-ge-haald.
Anna en John hebben hun keuken ...
geschoonmaakt.
schoongemaakt.
Julia heeft het pakje ...
opengemaakt.
openmaken.
Ik heb een nieuwe pinpas ...
aangevraagd.
gevraagd.
Ik heb het formulier al ...
gevuld.
ingevuld.
We hebben de afspraak ...
afgezegd.
afzeggen.
We hebben alles samen ...
opruimen.
opgeruimd.
De kinderen hebben hun bedden ...
gemaakt.
opgemaakt.
Hebben ze het afval al ...
gehaald?
opgehaald?
Ik heb je boek op je tafel ...
teruggelegd.
gelegd.
Hij heeft ons voor zijn feestje ...
uitnodigen.
uitgenodigd.
We ... de boodschappen afgerekend.
heb
hebben
Sarah ... de kleren teruggestuurd.
heeft
... je goed opgelet?
Hebt
Heb
... je de bedden al opgemaakt?
We ... de keuken opgeruimd.
Hij ... het pakje opengemaakt.
... jullie het formulier al ingeleverd?
Hebben
Mijn vader ... mijn zoontje opgetild.
Mijn vriend ... alles al afgerekend.
David ... de afspraak bij de dokter afgezegd.
Zet de woorden op de goede plaats.
Ik heb het cadeau ingepakt.
De docent heeft de opdracht uitgelegd.
We hebben alles bij de kassa afgerekend.
Mijn moeder heeft de buren voor het eten uitgenodigd.
Ik heb de schoenen naar de webwinkel teruggestuurd.
Ik maak een fout. Ik heb niet goed opgelet.
Hij heeft het probleem gelukkig opgelost.
Mijn man heeft onze afspraak afgezegd.
Oei! Ik heb net niet uitgecheckt.
Mijn zus is nu getrouwd. Ze heeft eerst samengewoond.
Lees de zin.
Hebben jullie het probleem ...
opgelost?
oplossen?
David heeft zijn naam en adres ...
invullen.
Hij heeft mijn boek op tafel ...
terugleggen.
Ik heb de kinderen net van school ...
gehaald.
opgehaald.
Hebben jullie wel goed ...
gelet?
opgelet?
We hebben dit weekend ons huis ...
Ze heeft het cadeau niet meteen ...
Dat meisje heeft vroeger veel bij ons ...
opgepast.
opppassen.
Heb je al een pinpas ...
gevraagd?
aangevraagd?
Julia ... haar kinderen opgehaald.
Adam ... zijn flat schoongemaakt.
... jullie het formulier al ingevuld?
Mijn moeder ... het pakje teruggestuurd.
... je je bed al opgemaakt?
Heeft
We ... dit weekend eindelijk ons huis opgeruimd.
Anna ... de soep voor ons klaargemaakt.
Ik ... de afspraak met mijn vader afgezegd.
Alle cursisten ... hun huiswerk al ingeleverd.
... jullie de buren ook uitgenodigd?
Sleep het woord naar de juiste plek in de zin.
Hebben jullie een formulier aangevraagd?
Heb je het brood en de melk afgerekend?
Ik heb het pakje teruggestuurd.
Layla heeft de afspraak afgezegd.
Hij heeft het probleem opgelost.
Ze heeft haar naam en adres ingevuld.
Mijn moeder heeft de bedden opgemaakt.
Hij heeft het eten klaargemaakt.
Ik heb mijn zusje opgehaald.
Ze hebben een jaar samengewoond.
Lees de zinnen.
Welke is goed?
We hebben gisteren het probleem opgelost.
We lossen het probleem gisteren op.
Ik vul het formulier morgen in.
Ik heb het formulier morgen ingevuld.
Hij heeft vorige week het huiswerk ingeleverd.
Hij levert vorige week het huiswerk in.
Ze maken morgen het huis schoon.
Ze hebben morgen het huis schoongemaakt.
Hebben jullie gisteren wel goed opgelet?
Letten jullie gisteren wel goed op?
Haal je straks het pakje op?
Heb je straks het pakje opgehaald?
Heb je gisteren het cadeau ingepakt?
Pak je gisteren het cadeau in?
Ik reken straks de boodschappen bij de kassa af.
Ik heb straks de boodschappen bij de kassa afgerekend.
Ze heeft het pakje een week geleden teruggestuurd.
Ze stuurt het pakje een week geleden terug.
De nieuwe buren nodigen ons gisteren uit.
De nieuwe buren hebben ons gisteren uitgenodigd.
Lees de woorden.
Mijn vrouw heeft onze afspraak afgezegd.
We hebben de rijst klaargemaakt.
Julia heeft gisteren opgepast.
Ze hebben al hun vrienden uitgenodigd.
Ik heb een nieuwe pinpas aangevraagd.
We hebben de boodschappen afgerekend.
Ze hebben het mooie cadeau ingepakt.
U heeft de opdracht goed uitgelegd.
Mijn man heeft onze kinderen opgehaald.
Ik heb het cadeau opengemaakt.
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.