Luister naar de zin.
Kies het goede antwoord.
We gaan naar school, ... we willen Nederlands leren.
omdat
want
We gaan naar school, ... we Nederlands willen leren.
Adam huilt, ... hij pijn heeft.
Adam huilt, ... hij heeft pijn.
Ik ga naar bed, ... ik ben moe.
Ik ga naar bed, ... ik moe ben.
David gaat met de tram, ... zijn fiets kapot is.
David gaat met de tram, ... zijn fiets is kapot.
Anna drinkt koffie, ... ze vindt koffie lekker.
Anna drinkt koffie, ... ze koffie lekker vindt.
Sleep het woord naar de goede plaats.
Ik bel mijn vader, omdat hij ziek is.
We gaan op reis, want we hebben vakantie .
Sarah ligt op de bank, want ze is erg moe .
Ik blijf thuis omdat ik koorts heb.
Je kan hier niet oversteken, omdat het veel te druk is.
Ik geef je een kus, omdat je zo lief bent.
We eten om 18.00 uur, want Ali moet nog weg.
Ik moet lachen, want je bent grappig .
Julia werkt vandaag niet, omdat ze griep heeft.
Mevrouw Smit kan niet komen, want ze moet naar de dokter .
Zet de woorden op de goede plaats.
Ik ga naar buiten, omdat het niet meer regent.
Ik ga naar buiten, want het regent niet meer.
De verkoper is tevreden, omdat hij veel klanten heeft.
David houdt van Sarah, omdat ze een bijzondere vrouw is.
Layla moet weg, want ze moet werken.
We stoppen met werken, want het is al laat.
Adam wil geld lenen, omdat hij een huis wil kopen.
De buurman komt zo langs, want hij wil iets vragen.
Mijn oma zorgt voor mijn zusje, omdat ze ziek is.
Davind gaat niet naar de sportschool, want hij gaat liever zwemmen.
Lees de zin.
Sleep het woord naar de juiste plek.
Layla komt vanavond niet, want ze heeft het druk .
Ik blijf thuis, omdat ik koorts heb.
We kopen brood in de supermarkt, omdat die dichtbij is.
Ik bel je straks, want ik moet nu weg .
Mijn oma loopt langzaam, omdat ze oud is.
Ik wil iets drinken, want ik heb dorst .
John koopt taart, omdat hij bezoek krijgt.
Ga maar gauw weg, want je bent bijna te laat .
We gaan slapen, want het is al laat .
Ik kan niet langskomen, omdat ik vandaag geen tijd heb.
Lees de zinnen.
Welke zin is goed.
Mijn moeder blijft vanavond thuis, omdat ze moe is.
Mijn moeder blijft vanavond thuis, omdat ze is moe.
Ik wil niet naar huis, want ik vind het hier gezellig.
Ik wil niet naar huis, want ik het hier gezellig vind.
Ze hebben vandaag vrij, omdat het is zondag.
Ze hebben vandaag vrij, omdat het zondag is.
We moeten wachten, want Mohammed is te laat.
We moeten wachten, want Mohammed te laat is.
De hond krijgt een snoepje, omdat hij is lief geweest.
De hond krijgt een snoepje, omdat het zondag is.
We kennen Anna goed, omdat ze onze buurvrouw is.
We kennen Anna goed, omdat ze is onze buurvrouw.
Je moet een jas aantrekken, omdat het is buiten koud.
Je moet een jas aantrekken, omdat het buiten koud is.
Ik zing, omdat ben ik blij.
Ik zing, omdat ik blij ben.
Ik bel je straks, want ik wil je nog iets vragen.
Ik bel je straks, want wil ik je nog iets vragen.
Adam kan vandaag niet komen, want hij heeft geen tijd.
Adam kan vandaag niet komen, want hij geen tijd heeft.
Lees de woorden.
Ik trek een dikke trui aan, want het is koud.
Anna blijft vandaag thuis, omdat haar dochter ziek is.
We vieren feest, omdat Sofia jarig is.
Jullie moeten nu komen, want de bus vertrekt.
De baby huilt, omdat hij moe is.
Ze hebben vandaag vrij, want het is zondag.
Ik kan nog niet weg, want ik wacht op Julia.
We gaan naar H&M, want we hebben nieuwe kleren nodig.
Ze drinkt veel water, omdat het zo warm is.
John en Anna gaan met de trein, omdat ze geen auto hebben.
Dit is de regel:
Kijk naar de plaats van het werkwoord.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.