Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

9.1 deze, die, dit en dat

1

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kijk naar de plaatjes.

 Deze tas is van mij.

44_1_A

 

 Die tas is van Maria.

44_1_B

 

 Dit boek is van mij.

44_1_C

 

Dat boek is van Ali.

44_1_D

 

 Wil je deze appel? De groene? Of die appel? De gele?

44_1_E

 

 Wil je dit broodje? Met kaas? Of dat broodje? Met worst?

44_1_F

2

Luister naar de zin. 
Lees de zin.

Kijk naar de plaatjes.

 Wil je deze koekjes of die koekjes?

44_2_A

 

 Wil je deze schoenen of die schoenen?

44_2_B

3

Luister naar het woord.
Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zinnen.
Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zinnen.
Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

... tafel is nieuw. Die tafel is oud.

Deze tafel is nieuw. ... tafel is oud.

... adres klopt niet. Dat adres klopt wel.

Dit adres klopt niet. ... adres klopt wel.

Ik ken ... mensen niet. Ik ken die mensen wel.

Ik ken deze mensen niet. Ik ken ... mensen wel.

Gebruik je deze zeep of ... zeep?

Gebruik je ... zeep of die zeep?

Wil je dit broodje of ... broodje?

Wil je ... broodje of dat broodje?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

de-woorden  
één persoon of ding meer dan één persoon of ding  
deze man            deze mannen
die man die mannen
   
het-woorden  
één persoon of ding meer dan één persoon of ding
dit broodje deze broodjes
dat broodje die broodjes

 

Bij ‘meer dan één persoon of ding’: gebruik altijd ‘deze’ of ‘die

Deze broodjes zijn duur. Die broodjes zijn goedkoop.

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.