Luister naar het woord.
Wat hoor je?
gewerkt
werkt
gewacht
wacht
gepakt
pakt
maakt
gemaakt
gewoond
woont
zegt
gezegd
gehoord
hoort
zet
gezet
haalt
gehaald
gedeeld
deelt
Luister naar de zin.
Lees de vraag.
Kies het goede antwoord.
Is het werk klaar?
ja
nee
Is Ali klaar met bellen?
Is de pizza klaar?
Is Adam klaar met pinnen?
Zijn de kinderen klaar met voetballen?
Zijn de jongens klaar met spelen?
Is Layla klaar met fietsen?
Ze hebben lekker gekook.
Ze hebben lekker gekookt.
Wat heeft hij gezegd?
Wat heeft hij gezeg?
Ik heb in Groningen wonen.
Ik heb in Groningen gewoond.
We hebben de kleren geruild.
We hebben de kleren ruilen.
Wat heeft de nieuwe auto gekost?
Wat heeft de nieuwe auto kost?
Ik heb je niet gehoord!
Ik heb je niet hoort!
Hebben jullie vandaag gefiets?
Hebben jullie vandaag gefietst?
De afspraak heeft lang duurt.
De afspraak heeft lang geduurd.
Anna heeft 100 euro gepind.
Anna heeft 100 euro pinnen.
Hij heeft de hele dag gewerk.
Hij heeft de hele dag gewerkt.
Ik heb hem ...
gebellen.
gebeld.
Ze heeft een uur ...
gewach.
gewacht.
Je hebt goed ...
geluisteren.
geluisterd.
Mijn vader heeft veel ...
gerook.
gerookt.
Hij heeft niet veel ...
gezeg.
gezegd.
De zomer heeft lang ...
geduur.
geduurd.
Heb je je vriendin ...
gebel?
gebeld?
Ik heb je een e-mail ...
gesturen.
gestuurd.
Ik heb leuk ...
gedroom.
gedroomd.
Ik heb gisteren ...
gefiets.
gefietst.
Sleep het woord naar de goede plaats.
Hij heeft een pak yoghurt gehaald.
We hebben woensdag gewerkt.
Ik heb de krant gepakt.
We hebben veel gepraat.
We hebben de pizza gedeeld.
Ik heb het nieuws gehoord.
Anna heeft de rok geruild.
Ik heb je erg gemist.
We hebben patat gehaald.
Mijn zus heeft voor mijn moeder gezorgd.
Lees de zin.
We hebben op de trein ...
gewachten.
Ze hebben met de docent ...
gepraat.
gepraten.
De baby heeft niet ...
gehuild.
gehuil.
Heb je soep ...
maakt?
gemaakt?
David heeft goed voor de hond ...
gezorg.
gezorgd.
De winter heeft lang ...
duren.
Hij heeft de schoenen ...
geruild.
ruilt.
Ze heeft koffie ...
halen.
gehaald.
Mijn moeder heeft een pakje ...
gestuur.
De vriendinnen hebben in Utrecht ...
gewinkeld.
gewinkelen.
We hebben lekker gekookt.
Ali heeft in Marokko gewoond.
De honden hebben de hele nacht geblaft.
Hij heeft lang gewacht.
Ik heb een e-mail gestuurd.
Het eten heeft lekker gesmaakt.
Ze hebben veel geleerd.
De jongen heeft gehuild.
Ze hebben niets gevraagd.
Hij heeft mijn boek geleend.
Sleep het woord naar de juiste plek.
Hij heeft twee broden gehaald.
Mijn zus heeft rijst gekookt.
Het heeft de hele dag geregend.
U hebt ons veel geleerd!
Julia heeft de kleren geruild.
Ze heeft een e-mail gestuurd.
Ik heb veel geld gepind.
Hij heeft de baby niet gehoord.
Ik heb iets aan de docent gevraagd.
Ik heb leuk gedroomd.
Welke zin is goed?
Ik heb gisteren een e-mail gestuurd.
Ik stuur gisteren een e-mail.
Ik heb gisteren boodschappen gehaald.
Ik haal gisteren boodschappen.
Ik haal morgen boodschappen.
Ik heb morgen boodschappen gehaald.
We koken gisteren soep.
We hebben gisteren soep gekookt.
We koken morgen soep.
We hebben morgen soep gekookt.
De hond heeft gisteren de hele dag geblaft.
De hond blaft gisteren de hele dag.
We hebben gisteren gefietst.
We fietsen gisteren.
De baby huilt gisteravond.
De baby heeft gisteravond gehuild.
Ik ruil gisteren de jurk.
Ik heb gisteren de jurk geruild.
Ik ruil de jurk morgen.
Ik heb de jurk morgen geruild.
Wat is de regel?
Dit is de regel:
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.