Draai je tablet om verder te gaan.
WEB_24ZKIJ94_Haarlem_A1-A2 lang_ochtend_Heidi Uitloggen

Grammaticatrainer

12.3 even groot als, groter dan

1

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kijk naar de plaatjes.

 De sinaasappel is groot.

 

36_1_1

 

De sinaasappel is groter dan de citroen.

 

36_1_2

 

De sinaasappel is even groot als de appel.

 

36_1_3

2

Luister naar de zin.

Lees de zin.

Kijk naar de plaatjes.

sterk - even sterk als - sterker dan

 Ik ben sterk.

36_2_1_A

 

 Mijn moeder is sterker dan ik.

36_2_1_B

 

 Mijn zus is even sterk als ik.

36_2_1_C

klein - even klein als - kleiner dan

 De poes is klein.

36_2_2_A

 

 De vis is kleiner dan de poes.

36_2_2_B

 

 De hond is even klein als de poes.

36_2_2_C

3

Luister naar de woorden.

Wat hoor je?

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

4

Luister naar de zin.

Kies het goede antwoord.

Mijn auto is ... jouw auto.

De trein is ... de auto.

Een dorp is ... een stad.

Amsterdam is ... Londen.

Ik praat ... jij.

Een groot huis is ... een klein huis.

De Jumbo is ... de Plus.

Thee is ... koffie.

Mijn zus is ... mijn vriendin.

Een voetbal is ... een appel.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

5

Luister naar de zin.

Zet de woorden op de goede plaats.

Mijn keuken is even groot als jouw keuken.

Mijn badkamer is groter dan jouw badkamer.

Mijn vader is even oud als mijn moeder.

Mijn zus is jonger dan mijn broer.

Vlees is even lekker als vis.

Een stad is groter dan een dorp.

Ik werk even hard als de andere cursisten.

De zomer is warmer dan de winter.

De jongen is even sterk als zijn vader.

De trein is sneller dan de fiets.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen

6

Lees de zinnen.

Kies het goede antwoord.

Ik slaap ... als mijn vrouw.

Ik vind thee ... dan water.

Mijn baby praat ... als jouw baby.

Mijn huis is ... als jouw huis.

Vis is ... dan vlees.

Patat is ... als pizza.

Blauw is ... als groen.

Ons kind is ... dan jullie kind. 

Een kilogram is ... als 1000 gram.

9 van de 9 goed.
Opnieuw invullen

7

Lees de woorden. Zet de woorden op de goede plaats.

Een auto is duurder dan een fiets.

Mijn fiets is even duur als jouw fiets.

Ons huis is even klein als jullie huis.

Onze docent spreekt beter Nederlands dan wij.

Mijn dochter is even groot als mijn zoon.

Een rok is mooier dan een broek.

Een appel is even groot als een sinaasappel.

Fruit ruikt lekkerder dan vis.

Kip is even lekker als vis.

Mijn slaapkamer is even groot als mijn woonkamer.

10 van de 10 goed.
Opnieuw invullen
Wat is de regel?

Dit is de regel:

 

groot

   
De sinaasappel is groter dan de citroen.  
36_1_2    
De sinaasappel is even groot als de appel.  
36_1_3    
duur    
De vis is duurder dan de kip.
De groente is even duur als het fruit.

 

Foutje!

Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.