Sleep de woorden naar de goede plaatjes.
schrijven
eten
slapen
bellen
drinken
vis
dokter
taart
winkel
wortel
Dit is de regel:
Dit zijn bijvoorbeeld ook werkwoorden: werken, kijken, gaan, hebben, liggen, wachten.
Is het een werkwoord?
aardappel
ja
nee
luisteren
wonen
bed
naam
kijken
meisje
lezen
zitten
spreken
koekje
zak
kopen
Lees de zin.
Wat is het werkwoord?
Typ het werkwoord.
Ik woon in Amsterdam.
woon
We spellen de naam.
spellen
Je eet de tomaat.
eet
Jullie werken in Utrecht.
werken
We praten met de buren.
praten
U luistert naar muziek.
luistert
Jullie gaan naar school.
gaan
Ik heet Anna Visser.
heet
Je drinkt thee.
drinkt
U praat met het kind.
praat
Je belt de kinderen.
belt
U drinkt thee.
Jullie kijken tv.
Ik koop brood.
koop
Je werkt in Arnhem.
werkt
We komen uit Syrië.
komen
U leert Nederlands.
leert
Jullie lezen het formulier.
Ik slaap niet.
slaap
We eten patat.
Er is een fout opgetreden. Probeer het opnieuw.